072. Bijbelstudie over het
LOOFHUTTENFEEST - SUKOT
tvkc
Enkele jaren geleden waren in Jeruzalem en later in
heel Israël rellen uitgebroken tijdens het Loofhuttenfeest, tvkc Sukot. De aanleiding hiervoor was de opening van een
tunnel onder de Al-Aqsa Moskee. De wereldpers
veroordeelde Israël toen eenstemmig wegens “het opzettelijk kwetsen en
minachten van de religieuze gevoelens van de moslims”. Maar was dat wel zo? En
zo ja, hoe zit het dan met de religieuze gevoelens van de Joden? Die werden
zoals gewoonlijk volledig genegeerd. Welke westerse journalist heeft er immers
toen de moeite genomen om ter plekke een kijkje te nemen om vervolgens te
constateren dat de bewuste tunnel zich in het geheel niet op islamitische maar
juist op Joodse heilige grond bevindt? De islamitische Al-Aqsa
Moskee staat namelijk boven de restanten van de Joodse Tempel en zodoende
bevindt de tunnel zich niet onder de moskee maar onder de Tempel!
>dqm=tyb Beit-haMiq’dash
- De Tempel
Dat de rellen rondom het tempelplein het hevigst waren
bij het begin van Sukot is beslist geen toeval,
want de tempel heeft alles met het Loofhuttenfeest te maken, en het
Loofhuttenfeest heeft alles met de Tempel te maken! De loofhut bewaart namelijk
de herinnering aan de schamele tenten, waarin de Israëlieten woonden tijdens
hun tocht van Egypte via de Sinaï-woestijn naar het Beloofde Land. Ook de
Eeuwige zelf woonde gedurende deze zwerftocht slechts in een tijdelijke tent,
de ]k>m Mish’kan [Tabernakel]. Deze
tijdelijke tent werd later echter vervangen door het permanente huis van G’d:
de Tempel, in het Hebreeuws >dqmh=tyb Beit-haMiq’dash! Zo is het dus niet verwonderlijk, dat zowel de eerste alsook de
tweede Tempel juist tijdens tvkc Sukot [het Loofhuttenfeest] werd
ingewijd, zoals we kunnen lezen in TeNaCH: “De inwijding van de (eerste) Tempel: Toen vergaderde Sh’lomo [Salomo] de oudsten
van Israël en al de stamhoofden, de familievorsten der Israëlieten, tot Sh’lomo haMelech [koning
Salomo] te Yerushalayim [Jeruzalem], om tyrbh=]vra Aron haB'rit [de ark van het verbond]
des Eeuwigen uit de stad Davids, dat is Tziyon [Sion], opwaarts te brengen. En alle mannen van Israël
kwamen bij Sh’lomo haMelech samen, op het feest (Sukot) in de maand
Etanim (Tish’ri), dat is de zevende maand”. (a ,yklm M’lachim alef [1 Koningen] 8:1-2). - “Toen vergaderde Sh’lomo [Salomo] de oudsten van Israël, en al de stamhoofden, de
familievorsten der Israëlieten, te Yerushalayim [Jeruzalem], om tyrbh=]vra Aron haB'rit [de ark van het verbond]
des Eeuwigen uit de stad Davids, dat is Tziyon [Sion], opwaarts te brengen. En alle mannen van Israël
kwamen bij de koning op het feest (Sukot) samen; dat was in de zevende maand. - Toen vierde Sh’lomo gedurende zeven
dagen het feest en geheel Israël met hem, een zeer grote gemeente, van de weg naar
Chamat [Hamat]
af tot aan de Beek van Egypte. En op de achtste dag hielden zij een feestelijke
vergadering, want de inwijding van het altaar hadden zij zeven dagen lang
gevierd; het feest duurde zeven dagen”. (b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken]
5:2-3 en 7:8-9). - “Wederoprichting van het altaar - Grondlegging van de (tweede)
Tempel: Toen nu de zevende maand aanbrak, terwijl de Israëlieten in hun steden
waren, verzamelde het volk zich als één man te Yerushalayim [Jeruzalem]. En
Yeshua [Jesua] (toeval?), de zoon van Yotzadaq [Josadak], met
zijn broeders, de priesters, en ook Z’rubavel [Zerubbabel],
de zoon van Sh’alti’el [Sealtiël], met zijn broeders, maakten
zich op en bouwden het altaar van de G’d van Israël, om daarop brandoffers te
offeren, zoals voorgeschreven is in de wet van Moshe [Mozes], de man
G’ds. Zij richtten het altaar op zijn fundamenten op, want vrees voor de volken
der landen was over hen gekomen, en zij offerden daarop brandoffers voor de
Eeuwige, brandoffers voor de morgen en voor de avond. Ook vierden zij het loofhuttenfeest,
zoals voorgeschreven is, en brachten dag aan dag brandoffers in het vereiste
aantal, dagelijks het voor die dag vastgestelde” (arzi Ez’ra [Ezra] 3:1-4).
- “Toen nu de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren,
kwam het gehele volk als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men
verzocht de schriftgeleerde Ez’ra [Ezra], h>m trvt rpc Sefer Torat Moshe [het boek der
wet van Mozes], die de Eeuwige aan Israël gegeven had, te halen. Toen bracht de
priester Ez’ra de Tora voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen en ieder die
het kon begrijpen, op de eerste dag van de zevende maand. - En op de tweede dag
kwamen de familiehoofden van het gehele volk, de priesters en de Levieten bij
de schriftgeleerde Ez’ra bijeen, en wel om de woorden van de Tora [wet] te
onderzoeken. Toen vonden zij in de Tora, die de Eeuwige door de dienst
van Moshe gegeven had geschreven, dat de Israëlieten op het feest in
de zevende maand in tvkc Sukot [loofhutten] zouden
wonen en dat zij een bevel zouden uitvaardigen en laten omroepen in al hun
steden en in Jeruzalem van deze inhoud: Trekt uit naar het gebergte en brengt
het loof van de olijfboom, van de olijfwilg, van de mirt, van palmen, van
loofbomen, om loofhutten te maken, zoals geschreven staat. Het volk trok uit en
zij haalden het loof en maakten zich loofhutten, ieder op zijn dak, en in hun
hoven en in de voorhoven van het huis G’ds en op het plein van de Waterpoort en
op het plein van de Efraimpoort. De gehele gemeente van hen die uit de ballingschap
waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in de loofhutten. Zo hadden de
Israëlieten niet gedaan sinds de dagen van Y’hoshua [Jozua], de
zoon van Nun, tot op die dag. Er heerste dus zeer grote vreugde. Uit het
boek der Tora G’ds las men elke dag voor, van de eerste tot de laatste
dag; zij vierden zeven dagen feest, en op de achtste dag was er een feestelijke
vergadering, volgens het voorschrift”. (hymxn Nechem’ya [Nehemia] 8:1-3 en 14-19). Laten we het voorschrift,
waar Nechem’ya het over heeft, eens nader
bekijken:
Instelling
van het Loofhuttenfeest:
“En de Eeuwige sprak tot Moshe [Mozes]: Spreek
tot de Israëlieten: Op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het
Loofhuttenfeest voor de Eeuwige, zeven dagen lang. Op de eerste dag zal er een
heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. Zeven
dagen zult gij de Eeuwige een vuuroffer brengen; op de achtste dag zult gij een
heilige samenkomst hebben en de Eeuwige een vuuroffer brengen; het is een
feest, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. Dit zijn de feesttijden van
de Eeuwige, waarop gij heilige samenkomsten zult uitroepen, om de Eeuwige een
vuuroffer te brengen: brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en plengoffers,
naar het voorschrift voor iedere dag, behalve de Shabatot [sabbatten])
van de Eeuwige en behalve de gaven en al de gelofteoffers en al de vrijwillige
offers, die gij de Eeuwige geven wilt. Doch op de vijftiende dag van de zevende
maand, wanneer gij de opbrengst van uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het
feest van de Eeuwige vieren; op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste
dag zal er rust zijn. Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen
nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij
zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, zeven dagen lang.
Gij zult het als een feest van de Eeuwige vieren zeven dagen in het jaar, een
altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het
vieren. In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen,
opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen
Ik hen uit het land Mitz’rayim [Egypte] leidde: Ik ben de Eeuwige, uw
G’d!” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
23:33-43). En ook in ,yrbd D’varim [Deuteronomium]
16:13-17 lezen wij: “Het Loofhuttenfeest zult gij zeven dagen
vieren, wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer en van uw perskuip.
Gij zult u verheugen op uw feest, gij met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht
en uw dienstmaagd, met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die
binnen uw poorten wonen. Zeven dagen zult gij feest vieren ter ere van de
Eeuwige, uw G’d, op de plaats die de Eeuwige verkiezen zal; want de Eeuwige, uw
G’d, zal u zegenen in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij
waarlijk vrolijk kunt zijn. Driemaal per jaar zal ieder die onder u van het
mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, verschijnen
op de plaats die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, op het
feest der weken en op het Loofhuttenfeest. Maar hij zal dan niet met lege
handen voor het aangezicht van Adonai verschijnen: ieder naar zijn vermogen, naar de zegen die
de Eeuwige, uw G’d, u gegeven heeft.” - Wij hebben hier de inzetting
van tvkvc Sukot [het
loofhuttenfeest], dat één van de drie grote feesten is, waarop alle mannen in Israël verplicht waren bijeen te
komen om voor G’ds aangezicht te verschijnen, eerst ter plaatse waar de ]k>m Mish’kan [Tabernakel] en in latere tijden
waar >dqmh=tyb Beit-haMiq’dash [de Tempel] was. Sukot moet dus gevierd
worden ter gedachtenis aan hun wonen in tenten in de woestijn. Aldus wordt het
in Leviticus 23:43 verklaard: “Opdat uwe geslachten weten, niet slechts door
de geschreven geschiedenis, maar door deze zichtbare overlevering, dat Ik de
kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen!” Aldus wordt in gedachtenis
gehouden:
a)
Het geringe van hun begin en de treurige toestand waaruit
de Eeuwige dit volk heeft bevrijd. Het herinnert aan de fysieke overleving van
Israël gedurende de veertigjarige tocht door de woestijn en de voortdurend
aanwezige zorg van de Eeuwige voor Zijn volk. Zonder
Zijn bescherming waren zij nooit door de woestijn gekomen. Rabbijn
Hirsch zei, dat de betekenis van het Loofhuttenfeest is: de bescherming van het
lichaam van Israël.
b)
De barmhartigheid van haShem over de Israëlieten, daar de Eeuwige,
toen zij in tenten woonden, niet slechts een Tabernakel voor Zichzelf onder hen
heeft opgericht, maar met de grootste zorg en tederheid een gewelf boven hen
heeft gespannen, namelijk de wolk die hen tegen de hitte van de zon heeft
beschut. De instelling van dit feest wijst naar Hem, Die Zijn volk uitleidde en
beschermde. De geboden en inzettingen moeten de gedachte levend houden, dat het
volk Israël niet door eigen kracht dit alles bereikt had. De loofhut drukt de
afhankelijkheid uit van de mens ten opzichte van de natuur en de Eeuwige. Door
een week lang in een Suka te verblijven, ervaart de mens opnieuw zijn kwetsbaarheid,
en zijn behoefte aan koestering en bescherming. Rabbi Yehuda Ashkenazi heeft eens
gezegd: “Wat is de les van Sukot? Niet alleen de woestijnreis wordt ermee in herinnering
gebracht, maar daarmee en daardoor ook het feit dat er een G’d is Die Zijn volk
op zijn reis door de geschiedenis leidt en beschermt. Zoals Israël tijdens de
woestijntocht in broze hutten leefde en afhankelijk was van G’ds hulp, zo moet
nog altijd het Joodse volk en iedere Jood zichzelf voorhouden, dat rijkdom en
voorspoed en succes slechts zolang iemands deel zijn als G’d die schenkt. Wat
is bescherming? Daarover kan men pas spreken als men die aan den lijve ervaren
heeft op momenten dat de situatie hopeloos leek, en dat men tegen alle
waarschijnlijkheid in gered werd.” - De Suka verwijst dus naar de ervaringen van het
Joodse volk door de loop van de eeuwen heen, momenten van redding en
bescherming.
c)
Het Loofhuttenfeest wil ons herinneren aan het feit, dat
ook wij slechts tijdelijk op doorreis zijn op deze aarde, die door velen als
woestijn wordt ervaren. Ons doel is abh
,lvi Olam Haba, de komende wereld, waar wij Yeshua zullen
ontmoeten! Het breekbare van de loofhut is een teken van onze eigen
breekbaarheid. Voorts is de Suka een symbool voor ons vergankelijk lichaam. Volgens mij
doelde Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] in 2 Korinthiërs 5:1-8 dan ook hierop:
“Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt
afgebroken, wij een gebouw van G’d hebben, in de hemelen, niet met handen
gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze
woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet
naakt, zullen bevonden worden. Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten
bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het
sterfelijke door het leven worde verslonden. G’d is het, die ons juist daartoe
bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft. Daarom zijn wij
te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam
ons verblijf hebben, ver van de Eeuwige in den vreemde zijn (want wij wandelen
in geloof, niet in aanschouwen) maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te
meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Eeuwige onze intrek te nemen.”
d)
Zoals alle andere Joodse (of beter gezegd: Bijbelse!!!)
feesten wijst ook Sukot [het Loofhuttenfeest] reeds naar Yeshua! Geïnspireerd
door de profetische woorden van cvmi Amos 9:11 tlpnh dyvd tkc=ta
,yqa avhh ,vyb BaYom haHu aqim
et-Sukat David haNofelet [Te dien dage zal Ik de vervallen hut (Suka) van David weder
oprichten], die in Handelingen 15:16 worden herhaald, wordt de loofhut
tevens poëtisch opgevat als de G’ddelijke Woning zelf: Yeshua! Door velen
wordt namelijk verondersteld, dat onze gezegende Mashiach omstreeks de
tijd wanneer dit feest gevierd wordt, is geboren. Toen heeft Hij Zijn woningen
des lichts hierboven verlaten, om onder ons te wonen (]nxvy Yochanan [Johannes] 1:14). Ook Hij heeft
in loofhutten gewoond, maar eens, spoedig, zal Yeshua als Koning op
aarde regeren, in Jeruzalem, als G’ds Koninkrijk gevestigd zal zijn. Dan zullen
wij allen, u en ik, Jood en Griek, worden opgeroepen om dit feest te vieren in
Jeruzalem: “Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen
Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te
buigen voor de Koning, Adonai Tz’vaot, en het Loofhuttenfeest te vieren. Maar
wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor
de Koning, Adonai Tz’vaot, neder te buigen, op hem zal geen regen
vallen, en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen,
op wie geen regen valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de Eeuwige de
volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. Dit
zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om
het Loofhuttenfeest te vieren!” (hyrkz Zechar’ya [Zacharia]
14:16-19).
hkvch
haSuka - De Loofhut
“In loofhutten zult gij wonen zeven dagen;
allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen, opdat uw
geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen
uit het land Egypte leidde: Ik ben de Eeuwige, uw G’d!” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 23:42-43). Dit
gedeelte spreekt wel voor zichzelf, maar natuurlijk heeft de latere traditie,
met name de Talmud, zich ermee bezig gehouden wat dit voorschrift nu eigenlijk
concreet inhoudt: “Raba zei: Uit Vayiq’ra [Leviticus]
23:42 ‘gij zult zeven dagen in loofhutten verblijven’ mag men afleiden dat de Tora beveelt: ga
voor de volle zeven dagen uit uw vaste woning en verblijf in een tijdelijke
woning!” (hkvc Suka 2a). Het is heel wezenlijk om ernaar te streven zelf bij de bouw van de
loofhut betrokken te zijn: “Wie een Suka voor zichzelf
bouwt, het is als bouwde hij die voor de Allerhoogste!” (Sifre Deut. Pisqa 140). Aan welke halachische voorwaarden de loofhut moet voldoen,
lezen we in de Mishna hkvc Suka (II.6) hst. 1,1-4: “De bedekking van
de loofhut moet uit plantaardige bestanddelen gemaakt worden, die niet meer aan
de grond vastzitten, en die niet door de aard van hun gebruik voor cultische
onreinheid vatbaar zijn. De hut moet onder de vrije hemel staan. § 1. Een Suka, die hoger is
dan 20 el (±
Drie
Loofhutten op de berg
Ook de verheerlijking van Yeshua op de berg Tavor [Tabor] heeft
alles met Sukot [het Loofhuttenfeest] te maken. Yeshua stond immers op
het punt om de laatste fase van Zijn aardse woestijntocht in te gaan: “En
zes dagen later nam Yeshua [Jezus] Keifa [Petrus] en Ya’aqov [Jacobus] en zijn
broeder Yochanan
[Johannes] mede en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid. En Zijn
gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn
klederen werden wit als het licht. En zie, hun
verschenen Moshe [Mozes] en Eliyahu
[Elia], die met Hem spraken. Keifa antwoordde en zeide tot Yeshua: Adoni, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal
ik hier drie Sukot [tenten] opslaan, voor U een, en voor Moshe een, en voor Eliyahu een. Terwijl hij
nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit
de wolk zeide: Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb;
hoort naar Hem! Toen de Talmidim [discipelen] dit hoorden, wierpen zij zich op hun
aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. En Yeshua kwam bij hen,
raakte hen aan en zeide: Staat op en weest niet bevreesd. Toen zij hun ogen
opsloegen, zagen zij niemand dan Yeshua alleen” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 17:1-8). De
evangelist Lucas beschrijft deze gebeurtenis zo: “En het geschiedde ongeveer
acht dagen na deze woorden, dat Hij Keifa [Petrus] en Yochanan [Johannes] en Ya’aqov [Jacobus]
medenam en de berg opging om te bidden. En het geschiedde, terwijl Hij in het
gebed was, dat het aanzien van Zijn gelaat anders werd, en Zijn kleding werd
stralend wit. En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Moshe [Mozes] en Eliyahu [Elia]. Dezen,
in heerlijkheid verschenen, spraken over Zijn uitgang, die Hij te Yerushalayim [Jeruzalem] zou
volbrengen. En Keifa en die met hem waren, werden door slaap overmand en, toen
zij ontwaakten, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem
stonden. En het geschiedde, toen dezen van Hem scheidden, dat Keifa tot Yeshua zeide: Meester,
het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie Sukot [tenten]
opslaan, voor U een, en voor Moshe een, en voor Eliyahu een; want hij
wist niet, wat hij zeide. En terwijl hij dit zeide, kwam er een wolk, en
overschaduwde hen. En zij werden bevreesd, toen die de wolk ingingen. En er
klonk een stem uit de wolk, die zeide: Deze is Mijn Zoon, de uitverkorene,
hoort naar Hem. En terwijl die stem klonk, bevond Yeshua Zich alleen. En
zij zwegen en verhaalden in die dagen aan niemand iets van hetgeen zij gezien
hadden.” (Lucas 9:28-36). Keifa [Petrus] wilde dus drie Loofhutten bouwen. De
NBG-vertaling heeft het hier weliswaar over ‘tenten’ en de Statenvertaling
heeft het zelfs over ‘tabernakelen’, maar de Luthervertaling gebruikt hier
terecht het woord ‘hutten’. We mogen er rustig van uitgaan dat Yeshua en Zijn Talmidim [discipelen]
echt geen opvouwbare tenten hebben meegenomen op de berg, terwijl er voor het
bouwen van loofhutten daarentegen volop takjes en twijgen aanwezig waren. Ook
het terugvertalen van de Evangeliën in het Hebreeuws gebeurde niet uitsluitend
op taalkundig terrein, maar er werd ook rekening gehouden met de culturele
aspecten en Joodse tradities. Zo is het niet verwonderlijk, dat er in h>dxh tyrb B’rit haChadasha in dit verband
het woordje tvkc Sukot [loofhutten]
wordt gebruikt en niet ,ylhva Ohelim [tenten], wat
eigenlijk t.o.v. het Griekse woord skhnaV
Skenas meer voor de hand had gelegen:
iv>y=la
apyk rmayv vylim ,tvlib yhyv
>l> an=h>in
hp tb>l vnl bvu ynda
vhylal txav h>ml
txa ;l txa tvkc
.rbdl=hm idy al yk
“Vay’hi baAlotam m’alav vayomer Keifa el-Yeshua: Adoni, tov lanu
lashevet po na’ase-na shalosh Sukot,
achat lecha, achat leMoshe v’achat leEliyahu ki lo yada ma-l’daber
[En het geschiedde, toen dezen van Hem
scheidden, dat Keifa tot Yeshua zeide: Meester,
het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie Sukot opslaan, voor U
een, en voor Moshe een, en voor Eliyahu een; want hij
wist niet, wat hij zeide].”
Precies hetzelfde principe handhaafde
ook Dr. Chaim Einspruch bij de vertaling van Beries Chadesche in het Jiddisch:
]imvnig ;yz ]bah yyz tib ]ivvig zya ci ]va
:]iv>y vj ugazig
apyk uah ,]dyy> ,ya ]vp
;]yyz vj ad zdnva rap
uvg zya ci ,ybr
,ryd rap cnyya :tvkc yyrd ]kam rymal
;]vhyla rap cnyya ]va ,]h>m
rap cnyya
.udir ri cavv ucvavvig uyn
uah ri riba
“Un es is geween be’ejs sej hobn sich genummen vun Ihm scheidn, hot Keifa gesogt
zu Jeschua’n: Rebbe, es is gut far unds do zu sein; lomir machn drei Sokkes, eins far Dir, eins far
Moische’n, un eins far Elijahu’n; ober er hot nit gewußt wos er redt.”
Keifa wist inderdaad niet wat hij zei, want Moshe en Eliyahu hadden hun
woestijnreis reeds lang achter de rug. Zij waren verheerlijkte heiligen, die
hun aardse loofhutten ingeruild hebben voor betere woningen in het hemelse
Jeruzalem. Zij spraken met Yeshua over Zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen [elegon thn exodon autou - Elegon ten exodon autou - Zijn exodus,
Zijn heengaan] dat is: Zijn lijden en sterven! Moshe en Eliyahu hebben er in
die gedachte tot Hem gesproken, om Hem er mede te verzoenen, en het
vooruitzicht daarop voor Zijn menselijke natuur gemakkelijker te maken. Zijn
dood is Zijn exodus, Zijn uittocht uit het Egypte van deze wereld, Zijn
bevrijding uit het diensthuis. Sommigen zeggen dat de hemelvaart van Yeshua hier mede
ingesloten is in dat heengaan, want de uittocht van Israël uit Mitzrayim [Egypte] was
een heengaan in triomf, en dat was ook Zijn heengaan van de aarde naar de
hemel. Deze exodus moest Hij volbrengen, want aldus was het besloten; de zaak
was onveranderlijk vastgesteld door de Eeuwige. Moshe en Eliyahu spraken ten
aanhoren van de drie Talmidim [discipelen] hiervan, om te kennen te geven dat het lijden
van Yeshua en Zijn ingaan
tot de heerlijkheid hetgeen was, waarvan reeds de Tora en de Navi’im [profeten]
hadden gesproken (Lc 24:26-27). Zij verschenen dan ook als vertegenwoordigers
van de Tora en de profeten. Moshe gaf aan Israël G’ds wet en Eliyahu riep het volk
tot die wet terug! Hun verschijning laat zien dat Yeshua de wet en de
profeten zou vervullen, dat wil zeggen: er de volle betekenis aan geven! G’ds
beloften, waarvan het volk Israël eeuwenlang de drager was (en nog steeds is!)
werden bevestigd! Als er iemand wist wat een uittocht is en wat daar allemaal
bij komt kijken, dan Moshe wel! En als iemand wist wat het betekent om van de
geestelijke en wereldse leiders te worden tegengewerkt, dan Eliyahu wel! De exodus
van Yeshua was een lange
woestijntocht tot de heerlijkheid! Langs deze lijdensweg behaalde Hij echter de
grootste overwinning van alle tijden, de overwinning over de macht van de
duivel! Daarom had Yeshua deze drie Talmidim [discipelen] meegenomen, een voldoende aantal om overeenkomstig
het halachische voorschrift te
getuigen van wat zij zouden zien en horen. De Joden hebben grote eerbied voor
de nagedachtenis van Moshe en Eliyahu, en daarom kwamen deze verheerlijkte heiligen opdat er,
naast de drie getuigen op aarde, ook iemand mocht zijn om te getuigen in de
hemel. Het gezicht van Yeshua straalde gelijk de zon, zo helder, zo schitterend; want
Hij is de Zon der gerechtigheid, het Licht der wereld. Ook het aangezicht van Moshe straalde na
zijn verblijf van veertig dagen op de berg Sinai doordat Hij met de Eeuwige gesproken
had (tvm> Sh’mot [Exodus]
34:29). Maar het aangezicht van Moshe blonk slechts als de maan, met een
ontleend, weerkaatst licht; maar het aangezicht van Yeshua blonk gelijk de
zon, met een innerlijk, eigen licht, dat des te treffender heerlijk was, omdat
het plotseling, als het ware van achter een duistere wolk, uitbrak. Zijn
klederen werden zo wit als het licht. Zijn hele lichaam was anders geworden
evenals Zijn gelaat, zodat van alle kanten licht uitstraalde door Zijn klederen
heen, waardoor zij stralend wit werden. Het blinken van Moshe’s aangezicht
daarentegen was zó zwak, dat het gemakkelijk door een dunne sluier verborgen
kon worden; maar zó groot was de heerlijkheid van Yeshua's lichaam, dat
Zijn klederen er ook door verlicht werden! En opeens, direct nadat Keifa had voorgesteld
om drie loofhutten te bouwen, werden zij overschaduwd door een wolk, waaruit de
stem van de Eeuwige weerklonk, net als toen op de Sinai, maar deze keer
maakte haShem aan de getuigen bekend wie Yeshua is: Zijn geliefde Zoon, in Wie Hij een
welbehagen heeft! De Talmidim waren zeer bevreesd, toen zij in die wolk ingingen. De
wolk was een teken van G’ds bijzondere tegenwoordigheid, Zijn Shechina! Het was in een
wolk dat de Eeuwige vanouds bezit nam van de Tabernakel en de Tempel, en als de
wolk de tent der samenkomst bedekte, kon Moshe niet ingaan (tvm> Sh’mot [Exodus] 40:34-35), en toen de
wolk de Tempel vervulde, konden de Kohanim (priesters) niet meer rechtop
staan om te dienen. (b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim
bet [2 Kronieken] 5:14). Dit was nu dezelfde wolk en het is dus
geen wonder dat de Talmidim vreesden om er in te gaan. Maar niemand hoeft bevreesd te
zijn om de wolk in te gaan samen met Yeshua, want Hij brengt een ieder er veilig doorheen. Van de Talmidim wordt hier gezegd,
dat zij hetgeen zij gezien en gehoord hadden geheim hielden. Maar nu is de tijd
gekomen, voor ons, om van Yeshua haMashiach te getuigen, en de tijd is kort want Hij is al op weg om
Zijn bruid op te nemen en veilig door de wolk te geleiden!
Loofhuttenfeest
ook voor ons?
Misschien zitten sommigen onder u met de
brandende vraag: moeten zich ook de messiasbelijdende Joden net als iedereen
die tot het Joodse volk behoort, houden aan de halachische voorschriften voor
het vieren van het Loofhuttenfeest inclusief het bouwen van een Suka [loofhut]? En
hoe zit het met de gelovigen uit de volken? Welnu, voor wat de laatstgenoemden
betreft, denk ik persoonlijk het volgende: de profeet Zacharia kondigt voor de Messiaanse
tijd het Loofhuttenfeest aan
als een feest voor alle naties (hyrkz Z’char’ya [Zacharia]
14:16-19). Wanneer Yeshua als Koning zal regeren op aarde en alle vijanden onder
Zijn voeten liggen, dan zullen alle volken jaarlijks naar Jeruzalem optrekken,
om dáár
het Loofhuttenfeest te vieren: dan pas, en niet eerder! En ook
alléén maar in Israël en niet hier in Nederland! En dat brengt mij ook bij het
antwoord op de eerste vraag: op grond van de Tora is mijn persoonlijke mening, dat
geen
enkele Jood, die buiten Israël geboren is (messiasbelijdend of niet),
verplicht kan worden om een loofhut te bouwen. In Tora staat immers
geschreven: “Gij zult het als een feest van de Eeuwige vieren zeven dagen in
het jaar, een altoosdurende inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand
zult gij het vieren. In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in Israël geboren zijn,
zullen in loofhutten wonen, opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in
hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het
land Egypte leidde: Ik ben de Eeuwige, uw G’d!” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 23:41-43). De
NBG-vertaling zegt duidelijk: “allen die in Israël geboren zijn!” Ook in
de Canisius-vertaling lezen wij: “allen die in Israël zijn geboren”, en
de Statenvertaling schrijft evenals de Leidse vertaling: “alle inboorlingen
in Israël.” De Luthervertaling heeft het over: “wie een inboorling in
Israël is.” Jitschak Dasberg vertaalt het in de Chumash met: “alle
ingezetenen in Israël.” In de Hebreeuwse grondtekst staat er: lar>yb xrzah=lk Kol-haEz’rach b’Yisra’el hetgeen
letterlijk vertaald betekent: iedere burger in Israël. Wat is de juiste
definitie van ‘burger’? In de dikke Van Dale lezen wij: 1. Inwoner van een stad
als zodanig met alle daaraan verbonden rechten. 2. Lid van een staatsgemeenschap
als zodanig, staatsburger. Ook in de kleine Larousse staat: Inwoner van een
stad of staat. Het gaat in deze tekst dus om burgers, inboorlingen, inwoners,
ingezetenen in Israël en niet daarbuiten! Mijn persoonlijke conclusie
is derhalve, dat het bouwen van de loofhutten een landgebonden traditie is, die
bijbels gezien uitsluitend blijft voorbehouden aan de Sabra’s (in Israël
geborenen). En dat is eigenlijk ook niet meer dan logisch. Het bouwen van de Suka dient ter herdenking
aan de tocht door de woestijn naar het beloofde land. De Joden die in Israël
geboren en daar ook woonachtig zijn, hebben het doel van deze woestijntocht
reeds bereikt en hebben daarom alle reden om op deze reis terug te kijken die
hun voorouders gemaakt hebben. De Joden in de diaspora alsook de gelovigen uit
de volken daarentegen bevinden zich nog steeds op doorreis en kunnen daar
logischerwijs nog niet op terugkijken. Geestelijk gezien heeft het derhalve
geen enkel nut om buiten Israël een symbolisch loofhutje te bouwen als je in de
diaspora ook in het echte leven nog steeds in een loofhutje woont omdat het
doel van de reis, het beloofde land, nog niet bereikt is. En dan is er nog een
praktische reden: gelooft u nou echt dat Adonai met deze inzetting bedoeld zou hebben
dat Joden die bijvoorbeeld in Siberië wonen bij 50 graden onder nul 7 dagen in
een loofhutje moeten wonen? Dat zou echt niemand overleven! Zelfs hier in
Nederland heb je van die slimmeriken, die vanwege de slechte
weersomstandigheden hun hutje maar op de warme en droge zolder bouwen. Maar zo
heeft de Eeuwige het volgens mij echt niet bedoeld. Ook deze voorbeelden geven
aan dat Sukot slechts in Israël gevierd moet worden en niet daarbuiten!
De
Lulav blvl
Sukot is tevens een oogstfeest. Daaraan
herinnert nog altijd de Lulav, een feestbundel, bestaande uit één palmtak (blvl Lulav), 2 wilgetakken (tvbri Aravot) en 3 mirtetakken (tvcdh Hadasot), plus 1 citrusachtige vrucht (gvrta Etrog), zoals beschreven in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 23:40. Omdat de
palmtak het meeste opvalt verleent het aan de bundel, waarmee men op bepaalde
tijden naar alle 4 windrichtingen zwaait, zijn naam. In het Talmud-traktaat hkvc Suka 37b staat hierover geschreven: “De 4 windrichtingen wijzen ons
op G’d, die de 4 richtingen in Zijn bezit heeft en de Lulav wordt op en
neer gewoven tot eer van Hem, tot Wie de hemel en de aarde behoren.” De Midrash hbr arqyv Vayiq’ra Raba 30:12 vertelt over de Lulav: “De Etrog? Dat is Israël!
Zoals deze Etrog smaak en geur heeft, zo heeft Israël mensen met Tora en met goede
werken. De palmtakken? Die zijn Israël! Zoals deze palm (dadel) smaak heeft en
geen geur, zo heeft Israël mensen met Tora, maar zonder
goede werken. En loofboomtwijgen? Die zijn Israël! Zoals deze mirte geur heeft
en geen smaak, zo heeft Israël mensen met goede werken, maar zonder Tora. En beekwilgen?
Die zijn Israël! Zoals deze beekwilg geen smaak heeft en geen geur, zo heeft
Israël mensen zonder Tora en zonder goede werken. En wat doet nu de Heilige,
geprezen zij Hij, met hen? Ze weg gooien? Onmogelijk! Neen maar, zei de
Heilige, geprezen zij Hij, ze moeten allemaal samen gebonden worden tot één
bundel. En dan doen dézen verzoening over díe!” Het zwaaien
met de bundel is een gebed tot éénheid van de 4 groepen, want de Eeuwige heeft
Zijn volk lief! Hierin schuilt dus weliswaar een prachtige symboliek, toch desalniettemin
wil ik er nadrukkelijk op wijzen dat de Lulav slechts een rabbijnse traditie is en
geen gebod van de Tora!
Het
Waterfeest
Sukot wordt gevierd van 15 tot 21 Tishri, de zevende
maand van de Joodse religieuze kalender (september/oktober). In aansluiting op
het Loofhuttenfeest zijn er nog 2 belangrijke feestdagen: trji
ynym> Sh’meni Atzeret [de Achtste
Dag] op 22 Tishri en hrvt txm> Sim’chat Tora [Vreugde der Wet] op 23 Tishri. Daarover volgt
nog een aparte Bijbelstudie. De eerste en de laatste dagen van Sukot worden aan
elkaar gebonden door de zogeheten tussendagen, in het Hebreeuws divmh lx Chol haMo’ed genaamd, die
ook hun eigen gebruiken hebben en waarop men elkaar doorgaans in het Jiddisch
begroet met: divm uvg Gut Mo’ed! - Sukot is ook een
waterfeest en maakt ons bewust van de ware Bron van Levend Water: Yeshua! Met name op de
zevende dag van het feest, waarop de Lulav 7 keer onder het zingen van Hoshana (G’d help ons!)
om de verhoging in het midden van de synagoge wordt gedragen. Op deze dag, die
vanwege de zeven omgangen rond de Bima [lessenaar] met vele keren Hoshana hbr=ani>vh Hoshana Raba heet, bidt men
of er spoedig regen mag komen, want door de lange zomer is het land geheel
verdroogd. Deze situatie speelt vooral in Israël. Daarom bidden daar alle
gelovige Joden om regen voor het komende seizoen. Wij mogen dit ook geestelijk
zien, want reeds sinds de profeten speelt de Eeuwige in op de geestelijke betekenis
van droogte: “O alle dorstigen, kom tot de wateren - Dan zult gij met
vreugde water scheppen uit de bronnen des
heils!” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 55:1
en 12:3). “Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om
niet!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 21:6). “En wie dorst heeft, kome, en wie
wil, neme het water des levens om niet!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:17). De Eeuwige
heeft het hier dus niet over gewoon water, maar over het gezegende water uit de
bronnen des Heils: hiv>yh ynyimm
]v>>b ,ym Mayim b’sason
mima’ainei haYeshu’a! Het woord ‘Heil’ is in het Hebreeuws hiv>y Yeshu’a en wijst naar de naam van onze Heiland, die ons opriep om
tot Hem te komen, als wij dorst hebben! Sukot is dus de tijd, waarin Israël haShem bidt en smeekt
om hemelwater voor de oogst, maar ook voor de ziel, want: “Gelijk een hinde
die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o G’d!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 42:2). Een speciaal
wateroffer werd eeuwenlang vanaf de bron Siloam door de Waterpoort de stad Yerushalayim [Jeruzalem]
binnengedragen als offer om van de Eeuwige regen af te smeken. Hoshana Raba is een dag om
je bewust te zijn, of te worden, van je dorst, letterlijk, maar ook geestelijk.
Zowel TeNaCH [O.T.] alsook B’rit haChadasha [N.T.] verbinden water met Ruach haQodesh [de Heilige
Geest]: “Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik
zal Mijn Geest uitgieten op uw nakroost en Mijn zegen op uw nakomelingen” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 44:3). Op deze zevende
dag maakt men dus in de synagoge tijdens de dienst met de blvl Lulav [feestbundel] in de hand zeven tvpqh Haqafot [rondgangen] rond de hmyb Bima [verhoging met Tora-lessenaar], waarop zeven Tora-rollen liggen
uitgespreid. Daarbij worden dan liederen gezongen zoals o.a. ani>vh Hoshana, eigenlijk an
hiyvh yy ana Ana Adonai Hoshia na [ach Eeuwige, geef toch hulp!] uit ,ylht Tehilim [psalmen] 118:25 (Sidur pag. 251). Hoshana Raba wordt ook het
Waterschepfeest genoemd, want het legt een verband naar de Tora, dat als levend
water wordt gezien. Uit de Siloam-vijver werd water geschept in gouden vaten, die op het
altaar van het Beit-haMiq’dash [de Tempel] werden gebracht, waar ze werden leeggegoten in
een zilveren bassin. Door een opening in de bodem van het bassin vloeide het water
in een holte binnen de altaarwanden, die leidde naar de ondergrondse fundamenten
van de Tempel. Dit ritueel vond plaats onder begeleiding van muziek en
feestviering van ongekende proporties, want er staat geschreven: “...putten
zij water en goten het uit voor het aangezicht van de Eeuwige!” (a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 7:6)
en: “Stort uw hart uit als water voor het aangezicht van Adonai!” (hkya Eicha [Klaagliederen] 2:19). Het Waterschepfeest
was een feest voor alle volken en in dit licht moeten wij ook de uitspraken van
Yeshua tijdens het
Loofhuttenfeest zien: “Nu was het feest der Joden, Loofhutten, nabij.” (]nxvy Yochanan [Johannes]
7:2). “Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Yeshua op naar de
Tempel en leerde. De Judeeërs dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo
geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen? Yeshua antwoordde hen
en zeide: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft;
indien iemand Diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van G’d komt,
dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer,
maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in
hem” (vers 14-18). “En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Yeshua en riep,
zeggende: Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij
gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn
binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem
kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Yeshua nog niet
verheerlijkt was” (vers 37-39). Een oproep die na 2000 jaar nog even actueel
is als op het moment dat Yeshua deze woorden sprak. Uit latere Joodse geschriften is
bekend dat tijdens het Loofhuttenfeest een priester zeven dagen lang een kan
water uit de Siloam-vijver schepte. Hij goot die uit in een schaal die op het
brandofferaltaar stond. Als die plechtigheden nu voorbij zijn, roept Yeshua iedereen op te
drinken van het levende water, waarvoor Hij kan zorgen. De uitnodiging geldt
iedereen, maar krijgt een persoonlijke toespitsing in de noodzaak te komen tot Yeshua. Hij alleen kan
onze levensdorst lessen. De gelovigen zullen de verkwikking hebben, niet van
een vat water, dat uit een badwater gehaald werd, maar van een rivier, die
uitvloeit uit Hem zelf. De blijdschap van de Tora, en de uitstorting van water,
die heen wees naar deze blijdschap zijn niet te vergelijken bij de blijdschap
van het Evangelie, aan de Bron des Heils ontleend. Maar Yeshua gaat verder dan
alleen dorstige mensen aan te raden te drinken. Hij zegt dat wie in Hem
gelooft, zelf een bron zal zijn, die
ook anderen zal laven. Door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] hebben we een nieuw
leven gekregen. Maar dat hebben we niet alleen voor onszelf ontvangen, maar ook
om anderen tot zegen te zijn. Wat een voorrecht, bron te mogen zijn, zodat ook
anderen aangeraakt zullen worden! Hoe meer we drinken uit de Bron van Levend
Water, hoe meer we een zegen mogen zijn voor anderen. Wees een zegen en wees
gezegend!
Werner Stauder